Posts tonen met het label Amsterdam-Noord. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amsterdam-Noord. Alle posts tonen

zondag 30 november 2014

Ebola: de ver-van-me-bed-show voorbij.

In de moerassige delen van Laag Holland heerste tot diep in de jaren zestig malaria. Door de vochtige gebieden droog te leggen hebben we de malariamug in Nederland uitgeroeid. Maar in Afrika sterft nog steeds elke minuut een kind aan deze ziekte. Op dit moment zijn echter alle ogen gericht op Ebola. Vooral sinds westerse hulpverleners besmet zijn geraakt en het virus de oceaan is overgevlogen staat Ebola op de kaart. Medicijnen en vaccins zijn helaas nog in de testfase, het is afwachten of ze werken. Die magere zeven miljoen Nederlandse euro komen daarvoor te laat, wellicht kunnen ze bijdragen aan het indammen van de epidemie. Ondertussen gaan we dicht bij mijn huis steeds meer terug naar de natuur. Het waterpeil komt omhoog, en er ontstaan prachtige wetlands met interessante weidevogels. En daar komen de muggen. Diep in december word ik nog lekgeprikt. Lekker dan. Het wachten is tot de malariamug zijn koffers naar het noorden pakt. Hopelijk komt er dan ook meer geld voor de bestrijding van deze ziekte in Afrika.

donderdag 19 december 2013

Kerstboodschappen

Eendenborst, parelhoen, of kalkoenfilet in truffelsaus. Met toenemende walging begeef ik me door Albert Heijn Molenwijk. Met slagroom gevulde pure-chocoladetruffels, extra large.  Extra lekker als dessert. Ondertussen slalom ik langs de immer in de weg-staande bonusbakken –het zijn er extra veel zo voor de kerst. Ik voel me een slaaf van Albert Heijn. De bonusaanbiedingen bepalen wat er op mijn bord komt, en net als half Nederland maak ik elk jaar een kerstmenu uit de Allerhande. Dat hoeft niet uit de nieuwste te zijn, ik zoek thuis gewoon op de website. Dan kan je bij uitgebreid zoeken kiezen voor snel.  Dat vertel ik mijn gasten natuurlijk niet. Een keukenprinses zal ik wel nooit worden.

Oma's (1905-1996) pannetje
Vandaag ga ik het anders doen. Back to basics. Gekookte aardappelen, speklapje, sla. Niks geen poespas. Er zal dan wel iemand gaan mopperen, maar wanneer niet.  Mijn volle kar leeg ik van zwaar naar licht op de lopende band, terwijl de man achter me al lang voor ik uitgeladen ben dreigend met het volgende-klant-balkje loopt te zwaaien.  Buiten vul ik mijn fietstassen en drie tassen hang ik aan mijn stuur. Alleen nog even de kar terugzetten.
Daar past mijn kar niet meer bij!

Ik kan kiezen tussen twee rijen. De eerste bevat slechts een karretje. Omdat deze geen ketting heeft kan je je karretje er niet aan vast maken en je centje terugkrijgen. Rij twee is lang, zo lang dat het doodloopt in het perkje. Toevallig passerende stadswachten, die op mijn gevloek afkwamen, wrikken de rij naar opzij, tillen mijn kar eroverheen en haken hem aan.  Dankbaar slinger ik weg op mijn zwaarbeladen fiets, de donkere avond in.

donderdag 12 september 2013

Fijn die natuur, maar liever niet in mijn eigen tuin

Kan je deze gewoon eten? Een paar jongetjes keken verbaasd toe hoe ik een braam van de buurtstruik plukte en in mijn mond stopte. Wat is er heerlijker dan opgroeien met zo’n bramenstruik langs de weg van huis naar school? Hoeveel bramen ik daar met de kinderen niet terloops geplukt heb…. Soms gingen we naar het Twiske, als we een emmertje vol nodig hadden om bramentaart of bramenjam mee te maken. Daar wisten we precies die verwilderde plekjes te vinden. Want verwilderen, dat kunnen deze struiken heel goed. Hoe dat precies in zijn werk gaat kunnen we ook heel dicht bij huis bekijken. Buurmans tuin is namelijk een grote wildernis. Een echt reservaat voor vogels, egels en veel andere dieren uit Amsterdam-Noord. Een blik over de schutting en je ziet nog een aantal fruitbomen staan, verscholen onder het geweld van een aantal in-  en uitheemse gewassen die de tuin over hebben genomen. Buurman kan niet meer naar achter doorlopen. 

Woekerende vogelkers

Worteluitlopers van de vogelkers
De hardnekkigste struik is zonder twijfel de Amerikaanse vogelkers, ook wel bospest genoemd. Hele duingebieden neemt deze plant over, en naast buurmans tuin ook die van ons. Worteluitlopers kruipen met het grootste gemak onder de schutting door en overal ontspruiten nieuwe vogelkersjes. Die ik met de groots mogelijke moeite eruit kan rukken, maar vaak ook niet meer. Resistent als ze zijn tegen glyfosaat, is het voortdurend afknippen en het planten van sterke, concurrerende bodembedekkers het enige dat ik kan doen.  Met een telescoopsnoeizaag  proberen we wat van de bovenkant van buurmans bos af te krijgen. Maar voor elke afgezaagde tak komen er tien terug.

Het uiteinde van de braamrank
dringt de grond in en schiet wortel 
Dan de braam, die heeft een andere tactiek. Die verspreidt zich bovengronds. Met een enorme snelheid groeien zijn takken alle kanten uit. Met gemak reiken ze met grote bogen over de schutting, net zo lang totdat de uiteinden de grond raken. Het kopje dringt de aarde in, schiet wortel en een nieuwe bramenstruik is een feit.


Ik laat de jongetjes een paar bramen zien die rijp en heerlijk zoet zijn en geef er meteen eentje aan de hond, die er ook verzot op is. Fijn al die natuur dicht bij huis, maar soms liever niet in mijn eigen tuin.

donderdag 22 augustus 2013

Bloedbad op de pont

Nou, dat viel nog mee, de pont was maar drie minuten te laat. Ik had net gehoord dat op de vorige rit een ongeluk was gebeurd. Iemand had de trapper van zijn fiets in zijn been gekregen, een lelijke wond. Aan de overkant, bij de NDSM, werd hij met de ambulance afgevoerd. Dat zou dus wel een flinke vertraging worden. Het was mooi weer, het avondeten kon wel even wachten, dus wat gaf het. 

We waren nog niet koud vertrokken of ik zie een vrouw in elkaar zakken: lijkbleek was ze. Ze werd door een andere vrouw geholpen en de pont voer direct terug naar de houthavens, waar ze van boord gingen. Dat is gek, dacht ik, eerst een ongeluk, volgende rit valt er iemand flauw. Tot ik in de gaten kreeg waarom ze was flauwgevallen: Er lag nog allemaal bloed op de pont. Een van de twee stuurmannen ging het toch maar schoonspuiten. Hele golven van water vermengd met bloed, vuistdikke stolsels of stukken weefsel spoelden over het dek. De pont was redelijk vol, ik kon geen kant uit. Het koste me de grootste moeite om met mijn sandalen het bloed te ontwijken. Spetters vlogen in het rond. Op een gegeven moment was hij klaar. Althans hij vond het wel genoeg. Niet lang daarna bereikten we de overkant en iedereen verliet de pont. 

Een nieuwe lading nietsvermoedende fietsers en voetgangers ging aan boord, terwijl het achterdek nog vol lag met bloederige resten.  

De biefstuk heb ik die avond maar laten schieten.




vrijdag 12 juli 2013

Bessenvrouwtje

Het is een mooie zomeravond en ik loop nog een rondje met de hond. Het is bekend terrein voor ons allebei: al zolang als we haar hebben, nu vier jaar, lopen we voor het slapengaan dit zelfde rondje. Als we een paar bosjes naderen, begint ze ineens te grommen. Misschien een kat? Ineens zie ik een paar tamelijk grote voeten onder het groen uitsteken. Het is duidelijk, er staat iemand. Wat zal ik doen? Omdraaien? Met een grote boog eromheen? Misschien niet verstandig, maar ik ga op onderzoek uit.

Ineens zie ik een paar grote voeten onder de bosjes uitsteken.
Zal ik omdraaien?

Een lange, Surinaamse dame begroet me vriendelijk. Ze vertelt me dat ze bessen aan het plukken is voor haar vogeltjes. Ik kijk goed en zie dat die grote struik, een bekend blad heeft. Het is een ribes. Maar dan niet met rode of zwarte bessen zoals ik de ribes ken, maar met blauwe. Gigantische blauwe bessen. Zonder aarzelen stop ik er eentje in mijn mond, hij is heerlijk zoet. Smaakt een beetje naar bosbessen, veel zoeter en lekkerder dan de rode of zwarte ribes. De Surinaamse vrouw snoept er ook een paar, en mijn hond peuzelt de halfverrotte  bessen op die in het gras liggen.


Terwijl we bessen plukken en eten vertelt de vrouw me over haar jeugd in Suriname, waar iedereen direct uit de natuur eet. Nadat ze in Nederland kwam groeide ze op bij een pleeggezin in de schermer, een boerengezin, waar de aardappelen van zo het land kwamen. Het was een grote troost. Nederlanders staan tegenwoordig veel verder van de natuur. Daar waren we het over eens. Maar dan die grote ribes, die staat daar zo maar, verscholen tussen een paar andere, besloze struiken in de berm, langs mijn hondenuitlaatroute in Twike-Kadoelen. Nooit opgemerkt. Haar zakje voor de vogels is inmiddels vol, en als afscheid wijst ze me, fluisterend, een soortgelijke struik aan, verscholen in een bosje verderop. Ons geheim.


maandag 17 december 2012

Trouwjurk


Kleding kopen is niet mijn hobby, maar in deze winkel snap ik tenminste het plan: broeken bij broeken, rokken bij rokken, truien bij truien. Niets heerlijkers dan schumen tussen de rekken van kringloopwinkel de locatie.

Een groot deel van mijn kledingkast is gevuld met tweedehandsjes. Onze jongste, de mooiboy, trekt zijn neus op als ik weer eens met iets ouds thuis kom. ”Misschien is er wel iemand in doodgegaan”, walgt hij. Elk truitje heeft zijn eigen geschiedenis. Wie zou het gedragen hebben, hoe zag haar leven eruit?

Op een keer snuffelde ik tussen een rek gevuld met lange jurken. Daar hing een retro trouwjurk. Hij was gemaakt van zachtgele stof, bekleed met kant. Het model was eenvoudig, recht en mouwloos, ik schat jaren zestig. Middenvoor zat een koffievlek en onderaan een scheurtje in het kant. Als je goed keek, zag je dat de zijkanten waren uitgelegd. De jurk was nog een tweede keer gedragen, misschien wel door het jongere, iets dikkere zusje van de eerste bruid. Maar wat moest ik nou met een trouwjurk?

Er hing een trouwjurk in het rek van de kringloopwinkel.
Wat moest ik daar nou mee?

Toen ik opgroeide was trouwen burgerlijk. Logisch dat ik ging samenwonen. Later, toen we ons huis kochten was het geld op, en toen we kinderen kregen kwam het er niet van. Het is goed zo. Toch stond ik een week later weer voor het rek. De jurk hing er nog. Ik moest hem hebben. Bij de kassa sloot ik aan in de rij, een mix van armoedzaaiers en kringloopliefhebbers. “Zo mevrouwtje, hebben we plannen?” vroeg de man achter de kassa. “Ach, je weet nooit of ie me vraagt” antwoordde ik. “Nou, de jurk is anders wel duur hoor”. De kassaman, door het leven getekend, wilde me op andere gedachten brengen. En gelijk had ie, negenentwintig euro voor een jurk waar je niks aan hebt is een hoop geld. “Maar iedere vrouw heeft toch zo’n jurk in de kast hangen?” probeerde ik. De rest van de rij lachte instemmend.

Thuis smokkelde ik de jurk naar de slaapkamer en verstopte hem tussen de andere kleding in mijn kast. En daar hangt ie nog steeds. Als ik over het kant aai denk ik glimlachend terug aan het kassamoment. Dat alleen al was het geld meer dan waard.

zondag 16 december 2012

Noord is niet zielig, integendeel


Wat sneu, zie je ze denken. Die kinderen groeien op in Amsterdam. Niet buitenspelen, geen hutten bouwen, de hele dag opgesloten. Dat jaar kampeerden we voor het gemak in Nederland, in zuidoost Groningen. Veel gezinnen uit de noordelijke provincies. Mensen van buiten zijn altijd een beetje verrast als we uitleggen dat Amsterdam veel mooie plekjes kent, maar dat Amsterdam-Noord een wereldje op zich is. Dat we niet zielig zijn, weilanden op loopafstand, het Twiske op fietsafstand, genoeg ruimte om buiten te spelen en te varen, boomhut in de tuin…

Dan die mensen uit Amsterdam, uit “de stad”. Amsterdammers zijn direct, die denken hardop: Noord, wat heb je daar nou te zoeken, wat is daar nou te beleven, zou ik nooit willen wonen, ben ik trouwens ook nog nooit geweest. Zou ik nooit mijn kinderen op school willen doen, al die PVV stemmers, wat een sukkels daar, burgerlijk ook. Hoe kom je daar nou verzeild? En dan vertel ik over mijn huis, mijn tuin aan het water, de sfeer in de straat, de zeil- en kanovereniging. Waar ik de hond uitlaat, waar we gaan zwemmen als het warm is, waar de lagere school staat (op 5 minuten lopen) en de middelbare school (15 minuten fietsen), hoe de kinderen op straat voetballen of kletsen, hoe wij ouders, toen de kinderen klein waren op de stoep zaten met een kan limonade, en nu met een wijntje, hoe iedereen elkaar op straat groet. En ook de Amsterdammers-van-onder-het-IJ kijken dan verrast.


Hoe ik hier verzeild kom? Puur toeval. We zochten een huis om samen te kunnen wonen. We waren in de stad aan het zoeken, toen we bij vrienden op bezoek kwamen, die een huis hadden gekocht op de Landsmeerderdijk. Het was lang voor de TomTom, we reden verkeerd, en na een rondje Kadoelen waren we verkocht. Voor het geld van een drie-kameretage een heel huis in Amsterdam-Noord. Een huis met een tuin en een ligbad. Dat was altijd al mijn droom geweest. En zo’n leuk buurtje! Zes weken zoeken en we hadden een huis. Veel jaren, nog meer verbouwingen, twee kinderen en een hond later wonen we er nog steeds. We barsten eruit, maar even flink opruimen en het gaat wel weer. Ik wil hier nooit meer weg.