woensdag 26 december 2012

Een veilige kerst


Het is de zeventiende eeuw en het borrelt en bruist in Amsterdam. Het wemelt van de alchemistische laboratoria. Tegendraadse denkers uit heel Europa trekken naar de stad om medicijnen te brouwen. Een bedrijfsongeval zit in een klein hoekje. Vergiftiging is de belangrijkste doodsoorzaken van deze apothekers, die veel met kwik en zwavel werken. Meer hierover bij de tentoonstelling "Alchemie" in de Ritman bibliotheek in Amsterdam. Gelukkig weten we tegenwoordig veel beter wat we aan het doen zijn. Handschoenen, zuurkast,  lood- of kunststof schermen, smoeltjes en een witte jas, elk experiment heeft zo zijn eigen veiligheidsvoorschriften. Gevaarlijke stoffen worden opgeborgen in plofkasten, eten en drinken mag alleen nog in het restaurant en de tijd dat we een kerstboom op het lab hadden is ook voorbij. Het zal ons niet meer gebeuren dat de brandweer uitrukt vanwege rokende satéstokjes die we voor een kerstdiner in de koffiekamer bereidden. Want helaas, helaas, we hebben  geen koffiekamer meer. En toch, alle SOPs en regels kunnen natuurlijk niet voorkomen dat iemand van de trap valt, uitglijdt, zich verbrandt, snijdt, of prikt, iets op zijn teen laat vallen, wat omstoot of in zijn oog spettert.  Gelukkig staan de BHV- en EHBO-troepen altijd paraat. En voor de feestdagen thuis: voorzichtig met alcohol, kamer-uit-kaarsen-uit en veiligheidsbril op bij het vuurwerk!


The AlchemistJoseph Wright of Derby (1771), Museum and Art Gallery, Derby. Het schilderij toont Hennig Brand die zojuist het lichtgevende fosfor heeft bereid.

maandag 17 december 2012

Trouwjurk


Kleding kopen is niet mijn hobby, maar in deze winkel snap ik tenminste het plan: broeken bij broeken, rokken bij rokken, truien bij truien. Niets heerlijkers dan schumen tussen de rekken van kringloopwinkel de locatie.

Een groot deel van mijn kledingkast is gevuld met tweedehandsjes. Onze jongste, de mooiboy, trekt zijn neus op als ik weer eens met iets ouds thuis kom. ”Misschien is er wel iemand in doodgegaan”, walgt hij. Elk truitje heeft zijn eigen geschiedenis. Wie zou het gedragen hebben, hoe zag haar leven eruit?

Op een keer snuffelde ik tussen een rek gevuld met lange jurken. Daar hing een retro trouwjurk. Hij was gemaakt van zachtgele stof, bekleed met kant. Het model was eenvoudig, recht en mouwloos, ik schat jaren zestig. Middenvoor zat een koffievlek en onderaan een scheurtje in het kant. Als je goed keek, zag je dat de zijkanten waren uitgelegd. De jurk was nog een tweede keer gedragen, misschien wel door het jongere, iets dikkere zusje van de eerste bruid. Maar wat moest ik nou met een trouwjurk?

Er hing een trouwjurk in het rek van de kringloopwinkel.
Wat moest ik daar nou mee?

Toen ik opgroeide was trouwen burgerlijk. Logisch dat ik ging samenwonen. Later, toen we ons huis kochten was het geld op, en toen we kinderen kregen kwam het er niet van. Het is goed zo. Toch stond ik een week later weer voor het rek. De jurk hing er nog. Ik moest hem hebben. Bij de kassa sloot ik aan in de rij, een mix van armoedzaaiers en kringloopliefhebbers. “Zo mevrouwtje, hebben we plannen?” vroeg de man achter de kassa. “Ach, je weet nooit of ie me vraagt” antwoordde ik. “Nou, de jurk is anders wel duur hoor”. De kassaman, door het leven getekend, wilde me op andere gedachten brengen. En gelijk had ie, negenentwintig euro voor een jurk waar je niks aan hebt is een hoop geld. “Maar iedere vrouw heeft toch zo’n jurk in de kast hangen?” probeerde ik. De rest van de rij lachte instemmend.

Thuis smokkelde ik de jurk naar de slaapkamer en verstopte hem tussen de andere kleding in mijn kast. En daar hangt ie nog steeds. Als ik over het kant aai denk ik glimlachend terug aan het kassamoment. Dat alleen al was het geld meer dan waard.

zondag 16 december 2012

Noord is niet zielig, integendeel


Wat sneu, zie je ze denken. Die kinderen groeien op in Amsterdam. Niet buitenspelen, geen hutten bouwen, de hele dag opgesloten. Dat jaar kampeerden we voor het gemak in Nederland, in zuidoost Groningen. Veel gezinnen uit de noordelijke provincies. Mensen van buiten zijn altijd een beetje verrast als we uitleggen dat Amsterdam veel mooie plekjes kent, maar dat Amsterdam-Noord een wereldje op zich is. Dat we niet zielig zijn, weilanden op loopafstand, het Twiske op fietsafstand, genoeg ruimte om buiten te spelen en te varen, boomhut in de tuin…

Dan die mensen uit Amsterdam, uit “de stad”. Amsterdammers zijn direct, die denken hardop: Noord, wat heb je daar nou te zoeken, wat is daar nou te beleven, zou ik nooit willen wonen, ben ik trouwens ook nog nooit geweest. Zou ik nooit mijn kinderen op school willen doen, al die PVV stemmers, wat een sukkels daar, burgerlijk ook. Hoe kom je daar nou verzeild? En dan vertel ik over mijn huis, mijn tuin aan het water, de sfeer in de straat, de zeil- en kanovereniging. Waar ik de hond uitlaat, waar we gaan zwemmen als het warm is, waar de lagere school staat (op 5 minuten lopen) en de middelbare school (15 minuten fietsen), hoe de kinderen op straat voetballen of kletsen, hoe wij ouders, toen de kinderen klein waren op de stoep zaten met een kan limonade, en nu met een wijntje, hoe iedereen elkaar op straat groet. En ook de Amsterdammers-van-onder-het-IJ kijken dan verrast.


Hoe ik hier verzeild kom? Puur toeval. We zochten een huis om samen te kunnen wonen. We waren in de stad aan het zoeken, toen we bij vrienden op bezoek kwamen, die een huis hadden gekocht op de Landsmeerderdijk. Het was lang voor de TomTom, we reden verkeerd, en na een rondje Kadoelen waren we verkocht. Voor het geld van een drie-kameretage een heel huis in Amsterdam-Noord. Een huis met een tuin en een ligbad. Dat was altijd al mijn droom geweest. En zo’n leuk buurtje! Zes weken zoeken en we hadden een huis. Veel jaren, nog meer verbouwingen, twee kinderen en een hond later wonen we er nog steeds. We barsten eruit, maar even flink opruimen en het gaat wel weer. Ik wil hier nooit meer weg.

Liefde en stront

Tot voor kort dacht ik bij het woord speurhond  aan een obscuur vliegveld waar ik ooit mijn tube tandpasta moest leegknijpen onder dreiging van een angstaanjagende herdershond. Uiteraard onschuldig stond het zweet me toch in de handen. Van een heel andere orde is Cliff, de schattige beagle, in dienst van de VU. Cliff is geen drugshond, hij is opgeleid om clostridium te ruiken. Clostridium is een akelige ziekenhuisbacterie die ernstige diarree veroorzaakt. Zelf meegemaakt hoe mijn bejaarde vader zieker het ziekenhuis uitkwam dan hij erin ging. Dankjewel ziekenhuis. Heel belangrijk dus om deze bacterie op te sporen en de patiënt te behandelen.

Ik weet niet hoe dat opsporen tot voor kort gebeurde, maar ik maak van dichtbij mee hoe op mijn werk geavanceerde hightech tests ontwikkeld worden om allerlei nare ziektes, waaronder recent de Q-koorts, te kunnen aantonen. De VU heeft dus een heel andere insteek: Cliff. Op het journaal zag ik hoe Cliff tussen de bedden scharrelde. Op een gegeven moment had ie beet: Yes! Clostridium! Druk kwispelend rende hij op de patiënt af, klaar om op het bed te springen en een flinke knuffel uit te delen. Het is dat ie aan de lijn zat…Ook bij Pauw en Witteman demonstreerde Cliff zijn kunsten. Na twee jaar snuffelen is de balans opgemaakt: Cliff bleek een groot succes, zijn prestaties mondden uit in een klinkende publicatie en een vaste aanstelling voor deze vrolijke vriend.

Het zou zomaar kunnen dat Cliff een heel andere manier van werken inluidt. Weg met het nieuwe werken. Leiding geven op basis van gelijkheid en vertouwen? Niks ervan. Voortaan geven we uitsluitend commando’s en beloningen. En daar komt dan iets heel waardevols voor terug: Heel veel liefde. En bakken vol met stront!

foto: nu.nl